Zelforganisatie
Hoe systemen orde scheppen zonder dat iemand het regisseert.
Met zelforganisatie wordt het verschijnsel aangeduid dat een systeem uit zichzelf, zonder externe coördinator, georganiseerde patronen lijkt te ontwikkelen. Geen mier vertelt de andere mieren hoe een bruggetje gebouwd moet worden, en geen neuron schrijft de andere voor welke gedachte ze samen zouden moeten vormen. Toch lijkt er orde te ontstaan.
Een tastbaar voorbeeld zijn vijf metronomen op een plank die op twee blikjes rust, zoals op de homepage van dit platform te zien is. Zet je ze op willekeurige momenten in gang, dan tikken ze eerst door elkaar. De plank rolt echter licht heen en weer onder hun gewicht, en die beweging koppelt de metronomen aan elkaar. Binnen een minuut tikken ze allemaal in de maat. Niemand heeft ze gedirigeerd; de koppeling tussen de afzonderlijke tikkers laat een orde ontstaan die er eerst niet was. Christiaan Huygens beschreef dit verschijnsel al in 1665 bij twee slingerklokken; hij noemde het sympathy of clocks.
Hetzelfde principe is te herkennen in een laser. In een gewone lamp zenden atomen ongeordend lichtgolven uit, elk in een eigen ritme. Voer je meer energie toe, dan gaan ze vrij plotseling in de pas lopen, en uit die gezamenlijke samenhang ontstaat de laserstraal. Ook hier is geen dirigent. De orde komt voort uit lokale interacties tussen de atomen, die boven een drempel een globale orde laten ontstaan.
Haken en de synergetica
De Duitse natuurkundige Hermann Haken ontwikkelde vanuit zijn werk aan lasers een eigen vakgebied, de synergetica: de studie van zelforganisatie in complexe systemen. Een centraal begrip daarin is de ordeparameter, een globale variabele die het gedrag van het systeem op macroniveau beschrijft en die, via wat Haken enslavement noemt, het gedrag van de afzonderlijke componenten gaat bepalen.
Günter Schiepek heeft deze traditie systematisch uitgewerkt voor de psychologie en de psychotherapie. Een therapeutisch proces is volgens hem een zelforganiserend systeem. De ordeparameter is daarin niet één variabele, maar een patroon: een samenspel van klachten, betekenissen, relaties en gedrag dat als geheel een richting heeft. En net als een laser kan zo'n systeem vrij plotseling reorganiseren, waarbij een nieuwe ordeparameter ontstaat en daarmee een nieuwe manier van functioneren.
"Onze intelligentie is gebaseerd op het collectieve gedrag van miljarden neuronen; een individueel neuron is niet intelligent." (Van der Maas, 2024)
Wat het in de praktijk betekent
Denken vanuit zelforganisatie heeft gevolgen voor de manier waarop we onze rol als therapeut opvatten. We zijn dan niet de regisseur die het systeem ergens naartoe stuurt, maar een onderdeel van een systeem dat zichzelf organiseert: een belangrijk en doorgaans welbedoeld onderdeel. Wat we beïnvloeden is niet rechtstreeks de uitkomst, maar de condities waaronder het systeem zich opnieuw kan organiseren.
Dat is tegelijk bescheidener en ambitieuzer dan een instructief model van therapie. Bescheidener, omdat we niet alles hoeven te kunnen verklaren of voorschrijven. Ambitieuzer, omdat ons werk aandacht vraagt voor wat die condities vormt: veiligheid, betekenisgeving, tijd, ritme en herhaalde aandacht voor wat opduikt. Schiepek spreekt in dit verband van "generieke principes" van psychotherapie als zelforganiserend proces: stabiliteit creëren, energiedeposito's mobiliseren, betekenisvolle patronen identificeren en het moment afwachten waarop reorganisatie zich aandient.
Zelforganisatie hoeft niet "alternatief" te zijn
Een belangrijk punt is naar ons idee dat denken vanuit zelforganisatie niet tegenover protocollen of evidence-based werken staat. Het is een ander niveau van denken, dat als het ware onder protocollen ligt. Protocollen werken mogelijk juist omdat ze condities scheppen waarin zelforganisatie kan plaatsvinden, en niet omdat ze de verandering rechtstreeks "produceren". Wie dat voor ogen houdt, kan protocollen flexibeler en met meer gevoel voor timing inzetten.
Zelforganisatie serieus nemen betekent ook iets loslaten: het idee dat we volledig de controle hebben. Voor sommige behandelaars is dat een opluchting, voor anderen een verlies. Voor patiënten lijkt het vaak een opluchting. Dat een protocol bij hen niet aanslaat, betekent niet dat zij kapot zijn; het systeem dat zij zijn, heeft mogelijk andere condities nodig om zich opnieuw te kunnen organiseren.
Behandeling als co-regulatie
Wie zelforganisatie serieus neemt, gaat ook de behandelrelatie anders bekijken. Therapeut en cliënt vormen een gekoppeld systeem, net als de metronomen op de plank. De relatie werkt daarbij als de plank zelf: licht meebewegend, verbindend, en daardoor in staat een gemeenschappelijk ritme te laten ontstaan. Soms werkt de relatie stabiliserend, soms juist destabiliserend. De vraag wanneer je wel en wanneer je niet intervenieert, is in deze taal minder een kwestie van techniekkeuze dan van gevoeligheid voor de fase waarin het systeem zich bevindt.
Het denken in zelforganisatie kan patiënten ook een ander verhaal over zichzelf bieden. Vanuit dit perspectief laat vastlopen zich eerder begrijpen als de uitwerking van hardnekkige patronen dan als persoonlijk falen: patronen die zichzelf in stand houden, in een systeem dat door koppeling is ontstaan en door koppeling ook weer kan veranderen.