№ 02

Ergodiciteit (of de afwezigheid ervan)

Waarom een groepsgemiddelde meestal niet vertelt wat één persoon nodig heeft.

Ergodiciteit is een term uit de statistische fysica die ook in de psychologie een belangrijke rol is gaan spelen, vooral omdat psychologische processen er meestal niet aan lijken te voldoen.

Een systeem heet ergodisch als het gedrag dat je over tijd bij één element waarneemt, hetzelfde patroon vertoont als het gedrag dat je op één moment bij veel elementen waarneemt. Met andere woorden: de gemiddelde patiënt en de individuele patiënt door de tijd heen vertonen dan dezelfde dynamiek. Dat zou praktisch zijn, want dan zouden uitkomsten van groepsonderzoek zonder meer te vertalen zijn naar individueel handelen.

Psychologische systemen lijken echter zelden aan die voorwaarde te voldoen.

Molenaars omkering

De Nederlandse methodoloog Peter Molenaar (2004) werkte dit uit in een invloedrijk artikel: wat voor de groep geldt, hoeft niet voor het individu te gelden. Een voorbeeld dat in deze literatuur vaak wordt gebruikt, is typen. In groepsstudies zijn typsnelheid en nauwkeurigheid positief gecorreleerd: wie sneller typt, typt ook nauwkeuriger. Volg je één persoon over langere tijd, dan blijkt de samenhang binnen die persoon vaak negatief: wanneer zij sneller gaat typen, gaat dat ten koste van haar precisie. Het groepsbeeld en het individuele beeld wijzen hier in tegengestelde richting.

De aanname dat de psychologische dynamiek van individuen gelijk is aan de dynamiek van het groepsgemiddelde, is de aanname van ergodiciteit, en die gaat volgens Molenaar zelden op. (Vrij naar Molenaar, 2004)

Voor de GGZ is dit een wezenlijk punt. Een groot deel van onze evidence-based praktijk steunt op gerandomiseerde gecontroleerde studies: groepsstudies die laten zien dat behandeling X gemiddeld beter werkt dan behandeling Y. De uitkomst voor de groep zegt echter niet welke patiënt baat heeft bij X, welke bij Y, en welke bij geen van beide. En binnen één persoon kan de relatie tussen factoren (slaap en stemming, beweging en angst) een ander patroon volgen dan in de groep.

De idiografische aanvulling

Niet-ergodiciteit is geen reden om groepsonderzoek los te laten, wel om het aan te vullen met onderzoek op het niveau waarop we ook handelen: het individu. Idiografisch onderzoek, met veel metingen bij één persoon over de tijd, laat zien hoe een specifieke patiënt functioneert, welke variabelen in zijn of haar systeem met elkaar samenhangen en hoe die samenhang verandert. Het vormt zo een natuurlijke tegenhanger van het groepsonderzoek dat we al kennen.

Praktisch betekent dit dat herhaalde metingen over de tijd (ESM, dagboeken, IROC, vragenlijsten die meermaals worden afgenomen) meer zijn dan een bijproduct van de behandeling. Methodologisch zijn ze nodig om de dynamiek in beeld te krijgen die voor deze specifieke patiënt geldt.

Voor de spreekkamer is de implicatie bescheiden, maar wel belangrijk. Een uitspraak als "dit werkt voor patiënten zoals deze" verdient enige voorzichtigheid, omdat een groep vergelijkbare patiënten geen garantie biedt dat het resultaat ook voor deze ene persoon geldt. Het blijft daarom nodig om te volgen hoe dít specifieke systeem reageert.