№ 03

Idiografisch

Onderzoek op het niveau waar we ook werken: de patiënt voor ons.

De term idiografisch is niet nieuw: hij gaat terug op de Duitse filosoof Wilhelm Windelband, die hem in 1894 tegenover nomothetisch plaatste. De spanning waarnaar hij verwijst, speelt nog altijd.

Nomothetisch onderzoek zoekt naar algemene wetten: wat geldt voor mensen in het algemeen? Dat is het terrein van gerandomiseerde gecontroleerde studies, factoranalyses op grote steekproeven en populatieparameters. Idiografisch onderzoek bestudeert het enkelvoudige geval: één persoon, vaak gemeten, door de tijd heen. Dat is het terrein van casuïstiek, n=1-designs en intensieve longitudinale gegevens.

In de GGZ is de afgelopen decennia vooral nomothetisch onderzoek gedaan. Dat heeft veel opgeleverd: we weten welke behandelvormen gemiddeld werken, bij welke diagnoses en in welke trajecten. In de spreekkamer zegt dat gemiddelde echter niet altijd veel over de persoon tegenover ons.

Twee tradities, één toepassing

Steeds meer wordt erkend dat we beide nodig hebben. Nomothetisch onderzoek kan hypothesen leveren, idiografisch onderzoek kan ze toetsen in de context van één bepaald leven. Een samenhang tussen slaap en stemming die in groepsstudies rond .3 ligt, kan bij een individuele patiënt veel sterker zijn, maar ook afwezig of zelfs omgekeerd. Dat weten we pas wanneer we het bij haar zelf meten.

"De idiografische methode laat zien wat er in dit ene leven, op dit moment, met elkaar samenhangt, en hoe dat verandert wanneer er iets in het systeem verschuift."

Hoe ziet idiografisch onderzoek eruit?

Er zijn verschillende manieren om idiografisch te werken. De meest toegankelijke is ESM (Experience Sampling Method): een aantal keer per dag een korte vragenlijst, gedurende weken of maanden. Een paar honderd metingen leveren een tijdreeks op waarin zichtbaar wordt hoe stemming, gedrag, gedachten en context bij deze ene persoon op elkaar inwerken.

Zulke gegevens maken analyses mogelijk die op groepsniveau weinig zin hebben: vectorautoregressie (welke variabele voorspelt welke andere?), netwerkanalyse binnen de persoon en het opsporen van vroege waarschuwingssignalen voor terugval. Voor onderzoekers en clinici die hiermee willen werken, zijn er inmiddels toegankelijke R-pakketten, zoals qgraph, mlVAR en esmpack, waarmee het ook zonder eigen statisticus haalbaar wordt.

Wat het in de spreekkamer doet

De opbrengst voor de praktijk kan op verschillende niveaus liggen. De behandelaar krijgt zicht op wat tot dan toe vooral een indruk was: voelt deze patiënt zich slechter na een slechte nacht, of loopt de samenhang in haar leven juist andersom? Voor de patiënt wordt het patroon van het eigen leven beter leesbaar. En de behandeling kan zich richten op wat bij deze persoon samenhangt, in plaats van op wat gemiddeld samenhangt.

Idiografisch werken is in die zin geen stap weg van de wetenschap, maar eerder wetenschap op het niveau waarop we in de spreekkamer ook handelen.