Van der Maas en de sprong

Over een Nederlandse psycholoog die liet zien dat ontwikkeling soms beter te beschrijven is als een sprong dan als geleidelijke groei.

Han van der Maas is naar ons idee een van de invloedrijke namen in het Nederlandse ontwikkelingspsychologische onderzoek. In de jaren negentig en tweeduizend werkte hij een idee uit dat op het eerste gezicht eenvoudig lijkt, maar dat de basis werd voor een heel onderzoeksprogramma: ontwikkeling verloopt niet altijd geleidelijk, soms verloopt zij in sprongen.

Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar in een vakgebied dat cognitieve ontwikkeling tot dan toe vooral als gestage groei beschreef (eerst dit, dan dat, dan het volgende), was het een wezenlijke bijdrage. Samen met Peter Molenaar betoogde Van der Maas dat veel cognitieve overgangen, bijvoorbeeld bij conservatietaken, taalverwerving en regelbegrip, te beschrijven zijn als catastrofesprongen: het systeem glijdt niet geleidelijk naar een nieuwe toestand, maar kantelt.

Wat is een catastrofesprong?

De term komt uit de wiskunde, uit de catastrofetheorie van René Thom uit de jaren zestig, en is technisch van aard. Het kernidee is gelukkig goed te volgen. Sommige systemen hebben twee toestanden waarin ze stabiel kunnen verkeren. Wanneer een onderliggende parameter (bijvoorbeeld rijping, oefening of leeftijd) langzaam verandert, blijft het systeem eerst in zijn oude toestand. Pas wanneer een drempel bereikt is, kantelt het vrij plotseling naar de nieuwe toestand.

Een mooi voorbeeld dat Van der Maas gebruikte, is het leren conserveren: het inzicht dat de hoeveelheid water gelijk blijft als je het in een ander glas giet. Enige tijd voordat kinderen dit beheersen, beginnen ze te aarzelen. Ze geven wisselende antwoorden en lijken aan te voelen dat er iets is wat ze nog niet helemaal begrijpen. Vaak binnen een korte periode kantelt het dan: ze begrijpen het, en dat inzicht blijft.

Waarom dit van belang is

Ten eerste lijkt het beter te beschrijven wat we in de praktijk soms zien. Ouders, leerkrachten en behandelaars van kinderen zullen het herkennen: een kind dat lange tijd vastzit en dan ineens iets oppakt. Dat hoeft niet te komen doordat de oefening het aankondigde; het kan ook zijn dat het systeem toe was aan een kanteling.

Ten tweede biedt het taal voor iets wat anders raadselachtig blijft. De sprong is dan geen wonder, maar een eigenschap van bepaalde dynamische systemen onder bepaalde voorwaarden. Daardoor wordt hij in principe onderzoekbaar.

Ten derde heeft het gevolgen voor de manier waarop we meten. Een tijdreeks vlak voor een sprong kan kenmerkende eigenschappen hebben: toenemende variantie, trager herstel na een verstoring en een langer "geheugen" van het systeem. Dat worden "vroege waarschuwingssignalen" genoemd (zie ook het lexiconlemma). Wie kantelmomenten wil opmerken, heeft daarom andere metingen nodig dan wie alleen gemiddelden vergelijkt.

De brug naar de klinische praktijk

Voorzichtig geformuleerd heeft dit denken ook betekenis voor de GGZ. Sudden gains (de plotselinge symptoomverbeteringen die in veel psychotherapieën worden waargenomen) lijken in hun structuur op zulke kantelmomenten, en hetzelfde geldt voor terugval na een lange remissie.

Wie erop let, ziet soms voortekenen: meer dagelijkse variabiliteit, een ontregelde slaap, onrust in de hechtingsrelaties van een patiënt. Dat is niet altijd zo, en zulke tekenen worden ook niet altijd juist geïnterpreteerd; soms is ruis gewoon ruis. Toch biedt de gedachte dat een systeem naar een kantelmoment toe kan bewegen, naar onze indruk aanknopingspunten voor klinische aandacht.

Een bescheiden balans

Van der Maas en zijn collega's hebben de afgelopen decennia veel waardevol werk verricht om deze ideeën empirisch te onderbouwen. Het bewijs voor catastrofesprongen in de cognitieve ontwikkeling is naar ons idee steviger dan in de klinische context. Daar spreken we vaak nog in termen van "zou kunnen" en "lijkt op".

Als hulpmiddel om te duiden wat we soms in de spreekkamer menen waar te nemen, lijkt het idee ons wel waardevol. Niet alle verandering verloopt geleidelijk. Soms zit iemand lange tijd vast en dan ineens niet meer. Dat we daar inmiddels een naam en een voorzichtige wiskundige onderbouwing voor hebben, helpt om zulke momenten serieus te nemen, zowel voor onszelf als samen met onze patiënten.