Gevouwen of verweven

Een bespreking van Mensen zijn complex, de Nederlandstalige inleiding van Paul van Geert in de theorie van complexe dynamische systemen voor de psychologische en pedagogische praktijk.

Paul van Geert (2026). Mensen zijn complex: Een inleiding in de theorie van complexe dynamische systemen voor de psychologische en pedagogische praktijk. Groningen: University of Groningen Press. Open access: doi.org/10.21827/6a438e064459b

Een verfrommeld papiertje kun je weer gladstrijken. Een gebreide trui kun je ook uithalen, maar dan houd je een lange draad over, en aan die draad is niet meer te zien hoe hij ooit een trui vormde. Met dit beeld opent Paul van Geert zijn nieuwe boek. Het verwijst naar de herkomst van twee woorden die we vaak door elkaar gebruiken: gecompliceerd komt van samenvouwen, complex van samenweven. Wat gevouwen is, laat zich weer ontvouwen; wat verweven is, verliest iets wezenlijks wanneer je het uit elkaar haalt.

Het lijkt een taalkundig onderscheid, maar het heeft gevolgen voor de manier waarop we in de GGZ naar problemen kijken. Veel van onze diagnostiek, onderzoeksmethoden en protocollen gaan er impliciet van uit dat problemen gevouwen zijn: dat ze zich laten opsplitsen in afzonderlijke factoren die je apart kunt meten en behandelen. Van Geert werkt in bijna vierhonderd pagina's de gedachte uit dat mensen eerder verweven zijn, en verkent wat dat betekent voor observeren, meten, behandelen en evalueren.

Een levenswerk, vertaald naar de praktijk

Van Geert, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie in Groningen, behoort tot de eersten die de dynamische-systementheorie in de psychologie hebben uitgewerkt. Dit boek is geen bundeling van eerder werk, maar een doordachte inleiding voor praktijkpsychologen en pedagogen. Het eerste deel (hoofdstuk 1 tot en met 5) legt de grondslagen: een korte geschiedenis van het complexiteitsdenken, een bespreking van wat hij de "standaardbenadering" noemt, en de vraag wanneer iets als een (gekoppeld) dynamisch systeem kan worden opgevat. Het tweede deel (hoofdstuk 6 tot en met 10) behandelt de kernbegrippen: emergentie, zelforganisatie, attractoren en ten slotte een model van causaliteit voor de praktijk.

Door het boek heen volgen we een fictief gezin, de familie De Vries uit Norg: vader Anne met een depressie, moeder Baukje die zich zorgen maakt, zoon Casper bij wie de vraag naar ADHD speelt, en dochter Dieuwke met dyslexie. Het gezin geeft het boek samenhang en maakt abstracte begrippen herkenbaar. Vanaf hoofdstuk 3 sluit elk hoofdstuk af met "de belangrijkste punten voor de praktijk", die ook in onderwijs goed bruikbaar zijn. De wiskunde blijft bescheiden: eenvoudige vergelijkingen, zoals het logistische groeimodel, meestal in kaders die de lezer zonder bezwaar kan overslaan.

Verdinging: wat een stoornis niet is

Conceptueel vonden wij hoofdstuk 2 het meest waardevol. Van Geert zoekt daar naar de filosofische wortels van onze praktijk: een Aristotelisch denken in categorieën die het wezen van een geval zouden bepalen, de Cartesiaanse erfenis van interne representaties, en wat hij verdinging noemt. We zeggen dat Casper ADHD "heeft", alsof ADHD een ding is dat zich in hem bevindt. Onze taal nodigt daartoe uit, zoals we ook zeggen dat "het" regent, zonder dat er een "het" is dat iets doet.

Die manier van spreken heeft gevolgen. Verdinging kan het persoonsgebonden, procesmatige karakter van een probleem aan het zicht onttrekken. Ze kan oorzaak en gevolg omdraaien, zodat ADHD de verklaring van het gedrag wordt in plaats van de naam voor een patroon dat zichzelf in stand houdt. En ze maakt van verschillen tussen mensen gemakkelijk toevallige variatie rond één kern, of, wanneer dat niet past, "comorbiditeit". Voor wie in de diagnostiek werkt, zal dit herkenbaar zijn, en het is prettig om het zo zorgvuldig onderbouwd te lezen.

Waarom het gemiddelde niet over deze cliënt gaat

Hoofdstuk 4 bevat een van de heldere Nederlandstalige uitleggen van niet-ergodiciteit die wij kennen. Of je honderd munten tegelijk opgooit of één munt honderd keer, het gemiddelde is hetzelfde: dat is een ergodisch proces. Bij gezinnen die een pretpark bezoeken ligt het anders; het gemiddelde van alle bezoekers zegt weinig over de keuzes van één gezin. Van Geert maakt de vertaling naar de kliniek zelf: de samenhang tussen slapeloosheid en somberheid gemeten bij vijfhonderd personen is iets anders dan die samenhang over vijfhonderd dagen bij meneer De Vries. Depressie is volgens hem niet-ergodisch, zoals de meeste psychologische variabelen.

Een tweede, nuttige waarschuwing is die van "de Gekke Mier": een reeks toevallige stapjes die gemiddeld op nul uitkomen, maar toch ver kunnen afdrijven en dan een trend lijken te vormen. Bij het lezen van een ROM-curve of een reeks dagboekscores is het goed om te bedenken dat een ogenschijnlijke kentering ook door toeval kan ontstaan.

Weerstand als stabiliteit

Klinisch vonden wij vooral de manier waarop Van Geert weerstand, ziektewinst en terugval herformuleert vruchtbaar. Een systeem houdt zijn stabiliteit actief in stand. Veranderingsweerstand is in die lezing geen eigenschap van de cliënt, maar een uitdrukking van de manier waarop een systeem zichzelf reproduceert. Hij formuleert het zo: "Een depressie is een systeem dat depressie produceert" (p. 87). Wie depressief is, vormt de omgeving onbedoeld zo dat de depressie bevestigd wordt, bijvoorbeeld door contact te vermijden of selectief te horen, en soms zelfs doordat het in therapie zijn de werkelijkheid van de depressie onderstreept.

Daarbij verbreedt hij het netwerkperspectief op een manier die in de literatuur over symptoomnetwerken nog weinig voorkomt. In zijn netwerk horen niet alleen symptomen thuis, maar ook de reacties van huisgenoten, de ziektewinst, de therapie en de diagnose zelf. Met Ian Hacking laat hij zien dat een diagnose, eenmaal gesteld en gedeeld, onderdeel wordt van het netwerk dat ze beschrijft: soms bevrijdend, soms bestendigend. Voor wie diagnoses stelt, is dat een gedachte die het overwegen waard is.

Kuilen, heuvels en terugval

Het attractorlandschap, het beeld van een balletje in een landschap van kuilen en heuvels, stelt Van Geert voor als overkoepelend werkmodel voor de praktijk. Hoofdstuk 9 is didactisch goed opgebouwd. De diepte van een kuil staat voor de weerstand tegen verandering die te verwachten is: hoe dieper de kuil, hoe meer en langduriger inzet nodig is om het balletje eruit te krijgen. De breedte staat voor het aantal beginsituaties dat uiteindelijk in dezelfde kuil terechtkomt. Zolang er maar één kuil is, rolt het balletje na elke verstoring terug. Een interventie beklijft pas wanneer er een nieuwe, gewenste kuil ontstaat die zichzelf in stand houdt.

In hoofdstuk 10 werkt hij dit uit in een eenvoudig model van terugval. Wanneer een interventie rechtstreeks op de doelvariabele aangrijpt, zoals het oefenen met een realistische inschatting van gevaar bij angst, dooft het effect na afloop geleidelijk uit. Wanneer de interventie de draagcapaciteit van het systeem vergroot, bijvoorbeeld via zelfreflectie of sociale steun, blijft het effect beter behouden. Terugval is in deze lezing niet in de eerste plaats een tekortkoming van cliënt of therapeut, maar vaak "een intrinsiek kenmerk van de dynamica" (p. 363). Van Geert pleit er daarom voor een behandeling niet te beëindigen zodra de symptoomscore onder een grens zakt, maar pas wanneer het nieuwe patroon voldoende verankerd lijkt. Dat pleidooi spreekt ons aan.

Betekenis voor de klinische praktijk

Van Geert vat zijn benadering samen in één principe: "diagnostiek beschrijft dynamiek, interventie verstoort zelfinstandhoudende patronen, evaluatie volgt herorganisatie in de tijd" (p. 154). Daaruit volgen voorstellen die voor de GGZ relevant zijn: een diagnose als idiografisch dynamisch profiel naast of in plaats van een label; variabiliteit opvatten als informatie en soms als therapeutisch doel, en niet alleen als ruis; de therapeut zien als deel van het systeem in plaats van als externe toediener van een interventie; idiografische systeemmodellen die samen met de cliënt worden opgesteld; en persoonsgerichte procesmonitoring als aanvulling op ROM op enkele meetmomenten.

Wie de gesprekken met de familie De Vries volgt, herkent ook de lezing van psychotherapie via Vygotsky's zone van de naaste ontwikkeling. Een therapeut die te snel gaat of weinig ruimte laat voor autonomie, kan de samenwerking minder effectief maken, en therapeut en cliënt kunnen elkaar zonder het te merken in een minder gunstig patroon vasthouden.

Kanttekeningen

Een boek met een duidelijk betoog nodigt ook uit tot kanttekeningen. De "standaardbenadering" wordt tamelijk eenduidig neergezet, terwijl casusconceptualisatie, functieanalyse en systeemtherapie al geruime tijd deel uitmaken van de klinische praktijk. Van Geert merkt zelf op dat zijn filosofische samenvatting noodzakelijk beknopt is. Ook is het pedagogische zwaartepunt voelbaar: rekenonderwijs en het schoolplein krijgen veel aandacht, de GGZ iets minder.

Belangrijker is dat een deel van de praktijkadviezen verder gaat dan het huidige bewijs. Veel verwachtingen zijn afgeleid uit modellen, en Van Geert geeft zelf aan dat de toepassing op psychotherapie grotendeels nog empirisch onderzocht moet worden. Een advies als "streef niet direct naar symptoomreductie" zal niet altijd verenigbaar zijn met richtlijnen, of met situaties waarin symptoomreductie juist voorrang verdient. Verder zit er een zekere spanning in zijn waardering voor HiTOP: hij is kritisch over latente variabelen en populatiemodellen, maar sluit aan bij een dimensioneel model dat zelf op populatieniveau is afgeleid. Het voorstel om de oppervlakte van een radargrafiek als maat voor complexiteit te gebruiken, zouden we graag verder onderbouwd zien, mede omdat die oppervlakte afhangt van de volgorde van de assen.

Vanuit de belangstelling van ons platform valt nog iets op. Het boek maakt goed duidelijk waarom procesmonitoring zinvol is, maar zegt minder over hoe: welke variabelen, met welke frequentie, en hoe je een tijdreeks samen met de cliënt bespreekt. Voor de voortekenen van verandering sluit Van Geert aan bij de literatuur over vroege waarschuwingssignalen, en hij formuleert daar met gepaste voorzichtigheid. De synergetische traditie van Haken en Schiepek wordt met respect besproken, al komen kritische fluctuaties en het Synergetic Navigation System slechts kort aan bod. Tot slot zijn er enkele redactionele onvolkomenheden, zoals tikfouten, dubbele sectienummers en verwijzingen naar secties die niet bestaan. In een open access uitgave laten die zich gelukkig eenvoudig herstellen.

Voor wie

Het boek lijkt ons waardevol voor behandelaars, diagnostici en opleiders die weleens merken dat een cliënt niet goed in een categorie past, dat een behandeling anders verloopt dan het protocol doet verwachten, of dat een terugval zich niet liet voorspellen. Voor de GZ- en KP-opleidingen biedt het een Nederlandstalige basis die tot nu toe ontbrak, met praktijkpunten die zich goed lenen voor onderwijs. Voor studenten en onderzoekers vormt het een toegankelijke ingang tot een internationaal onderzoeksveld. Concrete behandelprotocollen biedt het niet; het nodigt vooral uit tot een andere manier van kijken.

Tot slot

In hoofdstuk 5 staat een zin die ons is bijgebleven: "Dit is geen terugval, dit is exploratie" (p. 221). Of dat in een bepaald geval opgaat, zal steeds opnieuw moeten blijken, maar de vraag zelf opent een ander gesprek met de cliënt. Mensen zijn complex is een persoonlijk en betrokken boek van iemand die een leven lang aan dit onderwerp heeft gewerkt. Doordat het open access is verschenen, is het voor iedereen beschikbaar. Voor teams en opleidingen die zich in dit denken willen verdiepen, lijkt het ons een waardevol vertrekpunt.