De zwerm en de buren
Een korte verkenning van wat een spreeuwenzwerm ons kan leren, en vooral van wat ze ons niet leert.
Spreeuwenzwermen zijn een geliefd voorbeeld in de complexiteitswetenschap. Duizenden vogels vormen samen één beweeglijke vorm, zonder leider, plan of blauwdruk. Op video lijkt het bijna betoverend. Inmiddels bestaat er, voor zover wij kunnen overzien, enig wetenschappelijk zicht op hoe het werkt.
Een individuele spreeuw houdt rekening met ongeveer zeven buren. Ze richt zich op de gemiddelde richting van die buren, houdt afstand en stemt haar bewegingen op hen af. Geen enkele vogel overziet wat de zwerm als geheel doet, en toch ontstaat er een geheel: een vorm die golft, samenbalt en weer uitwaaiert.
De Italiaanse onderzoekers die dit bestudeerden, beschreven in dit verband scale-free correlations (Cavagna e.a., 2010). Wat er bij één vogel gebeurt, plant zich voort door de zwerm, niet omdat alle vogels naar elkaar luisteren, maar omdat het netwerk van burenrelaties zo dicht is dat een verandering zich snel verspreidt.
Waarom dit beeld ons aanspreekt
In de psychotherapie is het verleidelijk om dit beeld te gebruiken. Eerlijk gezegd zouden we het mooi vinden als onze cliënten zich, net als de zwerm, via eenvoudige lokale interacties op een gezonder patroon konden richten, en als er in de spreekkamer een equivalent bestond van die zeven buren: een paar eenvoudige regels die het systeem een nieuwe richting geven.
Er zitten zeker bruikbare ideeën in. Gezinsleden reageren op elkaar via lokale interacties, zoals oogcontact, toon en aanraking, en niet via een centrale planning. Een zorgteam vindt zijn ritme via lokale signalen. En een patiënt die haar dagritme weer op orde krijgt, doet dat zelden met één groot plan, maar eerder met kleine aanpassingen die volgende kleine aanpassingen makkelijker maken.
Waar de metafoor strandt
Toch zijn mensen geen spreeuwen, en dat lijkt ons niet onbelangrijk. Mensen hebben taal, geheugen, betekenisgeving, ambivalentie en conflict. Een spreeuw is in zekere zin "leeg": ze doet wat haar buren doen. Een mens heeft een binnenwereld die even zwaar meeweegt als de buitenwereld.
Wie al te enthousiast met de zwermmetafoor werkt, kan terechtkomen in iets wat lijkt op hoe er vroeger soms over "het gezinssysteem" werd gedacht: het individu raakt uit beeld en alles wordt interactie. Naar onze ervaring heeft zo'n keuze klinische gevolgen, soms gunstige, soms minder gunstige.
Wat er voorzichtig van te leren valt
Met enige behoedzaamheid kan de zwermmetafoor van pas komen in psycho-educatie, bijvoorbeeld om te laten zien dat ordening niet altijd van bovenaf ontstaat. Een patiënt kan, in interactie met de mensen om haar heen, een nieuwe vorm vinden zonder dat iemand precies weet aan welk knopje er gedraaid moet worden. Voor mensen die zich te zwaar voelen om in beweging te komen, kan dat een troostende en activerende gedachte zijn.
Het zou echter te ver gaan om te stellen dat psychotherapie "in wezen zwermvorming" is; dan wordt het beeld te vaag. Een zwerm is een mooi voorbeeld van zelforganisatie, maar eerder een ouverture dan een verklaring. De rest van het stuk speelt zich af in de spreekkamer, met taal en stilte en alle rommeligheid die bij het mens-zijn hoort.
En toch: wie aan de Nederlandse kust een zwerm spreeuwen ziet overvliegen, krijgt even een ander beeld van wat ordening kan zijn. Dat is geen empirisch argument, maar wel een beeld dat het bewaren waard is.