Wat een dimensie niet vertelt

In een nieuwe bundel over dimensionele diagnostiek schrijven Merlijn Olthof en Anna Lichtwarck-Aschoff een hoofdstuk dat een vraag stelt die elders in het boek weinig aandacht krijgt.

Over het hoofdstuk van Olthof, Lichtwarck-Aschoff en collega's in: C. J. Hopwood & C. Sharp (red.) (2026). Dimensional Diagnosis: Practical and Conceptual Issues in the Integration of Personality and Psychopathology. New York: The Guilford Press.

Over de vraag of psychopathologie beter dimensioneel dan categoriaal beschreven kan worden, lijkt inmiddels brede overeenstemming te bestaan. De vraag die nu voorligt, is wat die verschuiving betekent voor de praktijk. Dat is het onderwerp van de nieuwe bundel Dimensional Diagnosis, en één hoofdstuk beantwoordt die vraag op een manier die voor ons platform in het bijzonder relevant is.

Een boek in tweeluiken

De bundel, onder redactie van Christopher Hopwood en Carla Sharp, heeft een originele opzet. Elk hoofdstuk gaat over één vraag: wat betekent dimensionele diagnostiek voor assessment, behandeling, opleiding, stigma of onderzoek? Elke vraag wordt beantwoord door twee auteursteams die onafhankelijk van elkaar schreven en elkaars bijdrage pas achteraf lazen. Zo ontstaat een reeks tweeluiken die soms goed op elkaar aansluiten en soms duidelijk van mening verschillen. De redacteuren waarschuwen zelf voor wat zij cheerleading noemen: enthousiasme van pleitbezorgers waardoor de praktische problemen bij invoering uit beeld raken.

Tussen personen en binnen één persoon

In het tweeluik over psychotherapieonderzoek staat een hoofdstuk over de toepassing van complexiteitswetenschap, mede geschreven door de Nederlandse onderzoekers Merlijn Olthof en Anna Lichtwarck-Aschoff. Zij wijzen op een principiële beperking die in de rest van het boek minder aandacht krijgt. Dimensionele modellen zoals de Hierarchical Taxonomy of Psychopathology (HiTOP) beschrijven hoe mensen op populatieniveau van elkaar verschillen. Die structuur generaliseert niet vanzelf naar het niveau van de individuele patiënt: wat geldt voor de verschillen tussen personen, hoeft niet te gelden voor de processen binnen één persoon (Molenaar, 2004).

Om te begrijpen hoe klachten bij deze patiënt ontstaan, aanhouden en veranderen, is volgens de auteurs daarom een dynamisch perspectief nodig. Olthof en Lichtwarck-Aschoff beschrijven psychopathologie als een patroon in een complex adaptief systeem, waarin gedachten, gevoelens, gedrag en context elkaar via terugkoppelingslussen in stand houden (zie ook Olthof e.a., 2023). Behandeling bestaat in dat perspectief uit het destabiliseren van rigide patronen en het opbouwen en verankeren van flexibelere alternatieven.

Van theorie naar onderzoeksontwerp

Het hoofdstuk blijft niet bij theorie. De auteurs vertalen het dynamische perspectief naar concrete keuzes voor psychotherapieonderzoek: intensieve metingen in de tijd in plaats van alleen een voor- en nameting, deelnemers selecteren op de mate waarin ze vastzitten en disfunctioneren in plaats van op diagnose, en aandacht voor plotselinge overgangen in het behandelproces. Daarmee is het een van de weinige plekken in het boek waar het perspectief binnen één persoon een volwaardige plaats krijgt naast het perspectief tussen personen.

Waarom dit ons aanspreekt

Voor wie met procesmonitoring werkt, bijvoorbeeld met het Synergetic Navigation System, zal dit vertrouwd klinken. Het sluit aan bij de beweging die we op dit platform proberen te maken: van de vraag welke categorie of dimensie op iemand van toepassing is, naar de vraag hoe het patroon van deze persoon in elkaar zit, wat het in stand houdt, en waar het in beweging kan komen.

Tegelijk maakt het hoofdstuk een spanning zichtbaar die het boek als geheel niet oplost: hoe verhoudt het statische, hiërarchische raamwerk van HiTOP zich tot een dynamisch, geïndividualiseerd perspectief? Dezelfde spanning zagen we in Paul van Geerts Mensen zijn complex, dat HiTOP waardeert en tegelijk kritisch is over latente variabelen en populatiemodellen. Misschien beantwoorden beide perspectieven elk hun eigen vraag: dimensies helpen beschrijven waar iemand staat ten opzichte van anderen, dynamiek helpt begrijpen hoe iemand daar is gekomen en hoe verandering mogelijk wordt. Hoe je die twee in de spreekkamer verbindt, is nog grotendeels onbekend terrein. Dat lijkt ons eerder een agenda voor de komende jaren dan een verwijt aan de auteurs.

Tot slot

Voor wie de classificatiediscussie wil volgen voorbij de tegenstelling tussen het verdedigen en het afwijzen van de DSM, biedt Dimensional Diagnosis een beeld van een vakgebied dat openlijk nadenkt over zijn eigen toekomst. Voor de vraag wat die toekomst voor de individuele patiënt zou kunnen betekenen, lijkt het hoofdstuk van Olthof en Lichtwarck-Aschoff ons een goed vertrekpunt.