De kunst van het wachten

Over timing als therapeutisch ambacht, en over wat kritische instabiliteit ons daarover kan leren.

In de geneeskunde is timing een wat onderschatte kunst. Antibiotica werken het best wanneer ze passen bij de fase van een infectie, en pijnstilling vraagt gevoel voor het ritme van een lichaam dat herstelt. In de spreekkamer speelt iets vergelijkbaars, al laat het zich minder gemakkelijk in een protocol vastleggen.

De complexiteits­wetenschap kent het begrip kritische instabiliteit: een fase waarin een dynamisch systeem zijn oude ordening lijkt los te laten, zonder al een nieuwe te hebben gevonden. Het systeem aarzelt. De variantie neemt toe, de samenhang wordt brozer en het herstel na een tegenslag duurt langer. Van buitenaf kan dit op ontregeling lijken. Wie het verschijnsel kent, ziet er ook een venster in: een periode waarin verandering mogelijk wordt.

Günter Schiepek, die deze verschijnselen al ruim drie decennia bestudeert, betoogt dat veel therapeutisch effect zich rond zulke vensters lijkt te voltrekken. Daarbij zou niet alleen tellen wat de behandelaar in zo'n fase doet, maar ook wat zij nalaat: de bereidheid om niet meteen in te grijpen met een protocol, en om haar eigen onrust niet over te dragen op een patiënt die juist via die onrust tot iets nieuws zou kunnen komen.

De generieke principes van Haken

De Duitse natuurkundige Hermann Haken sprak in dit verband over generieke principes: voorwaarden waaronder zelforganisatie in complexe systemen mogelijk wordt. Denk aan stabiliteit in de omgeving, energie in het systeem en een zekere vrijheid om het oude patroon los te laten. Vanuit dit perspectief gaat het therapeutische werk minder over directe sturing en meer over het zorgvuldig in stand houden van die voorwaarden, zodat een nieuwe uitkomst mogelijk wordt zonder dat ze wordt afgedwongen.

Dat vraagt van een behandelaar een verfijnd gevoel voor wanneer een systeem aan verandering toe is, en wanneer het juist eerst stabilisatie nodig heeft. Wie te vroeg ingrijpt, voordat een systeem ervoor openstaat, bereikt zelden blijvende verandering en kan soms het vertrouwen ondermijnen waaruit verandering later zou kunnen voortkomen. Wie te lang wacht, loopt het risico een kans te missen, of dat een patiënt gedemoraliseerd raakt en het systeem in een minder gunstige toestand vastloopt.

"Kritische instabiliteit is geen ziekte. Het is een voorwaarde waaronder ziekte kan plaatsmaken voor iets anders." (vrij naar Schiepek)

Wat onderzoek kan toevoegen

Geen protocol kan dit ambacht vervangen, maar onderzoek kan het wel ondersteunen. Bij dagelijkse metingen, zoals in het Synergetic Navigation System van Schiepek en collega's, zijn de tekenen van kritische instabiliteit soms al zichtbaar voordat ze in een sessie voelbaar worden: een toename in de dagelijkse variabiliteit, een trager herstel van de stemming na een tegenslag, of een autocorrelatie die langer aanhoudt dan de week ervoor.

Zulke signalen vertellen niet wat er gedaan moet worden, maar ze geven wel aan dat het moment om aandacht vraagt. Soms is dat een rustig gesprek over oude vanzelfsprekendheden die niet meer kloppen. Soms is het een interventie die in een eerdere fase niet zou zijn aangekomen. En soms is het juist een stilte, een geduldig samen afwachten van wat zich aandient.

Chronos en Kairos

In het Grieks bestonden twee woorden voor tijd. Chronos was de tijd van de klok, de tijd die verstrijkt. Kairos was de tijd van het juiste moment, het moment waarop iets kan gebeuren. Veel van wat in de spreekkamer werkzaam blijkt, lijkt zich rond dat tweede begrip af te spelen, al laat het zich zelden in een evaluatieformulier vangen.

Wat overblijft is eerder een uitnodiging dan een instructie: om wachten, dat in onze cultuur soms snel als passiviteit wordt opgevat, te zien als een vorm van werk. Het is een vakmanschap dat zich in elke spreekkamer opnieuw moet bewijzen, en dat zich, zo lijkt het, vooral ontvouwt in het minder zichtbare deel van het therapeutische proces.